|
"Een ultiem bestaan", zo noemt mijn vader het leven dat ik beschrijf tijdens mijn 14-daagse, in één van de bushcamps. Deze reactie volgt op een bericht dat ik hem stuur: "Het is hier prachtig en daar geniet ik van. Het leven is hier echter ook primitief en beperkt. Beperkt wat betreft de mogelijkheid tot sociale interactie."
Een bestaan waarin mijn hele zijn, zowel mentaal als fysiek, op de proef wordt gesteld. Een leven midden in de natuur, maar eentje dat "wel geleefd dient te worden". Nieuw (onderzoeks)werk, een onbekende taal, een woud vol met geluiden tijdens de nacht, geen douche en toilet en het gebrek aan een dagelijkse lach. Dit geeft aanleiding tot bezinning. Welke factoren geluk bepalen in mijn bestaan hier en in dat van voorheen? Een tijdelijk leven zonder enig comfort met uitdagend onderzoek te midden van de natuur vereist focus, creativiteit, een bak aan mindfulness en familiesupport. Zo luidt de conclusie na twee weken. Een dag in het kamp Bai Hokou begint en eindigt met de gezellige klanken zoals die van een Nederlandse sportkantine in de derde helft. Hard geschater en luide discussies afkomstig uit de gemeenschappelijke hut van de vijftien Ba’aka-mannen die hier werken en wonen. De Ba’aka's zijn pygmeeën; een volk van het type jagers en verzamelaars. Inmiddels zijn veel van hen in dienst als trackers bij Wereld Natuur Fonds(WWF), die dagelijks de drie geinhabitueerde gorillagroepen die het reservaat rijk is, volgen. Geinhabitueerd geeft aan dat alle groepsleden, na een proces van jaren, gewend zijn aan de nabijheid van de mens in hun leefomgeving. Ik ontwaak in mijn bed op het hoekje van de zojuist opgeleverde onderzoekershut. Een sober, maar mooi in zijn eenvoud, houten onderkomen. De hut herbergt vier kamers met ieder twee bedden en aan alle zijden open vensters met gaas om alle ongewenste, stekende bezoekers buiten de deur te houden. Vanwege corona ben ik momenteel de enige wetenschapper hier in het kamp en blijven de andere vertrekken leeg. In het kamp krijg ik praktische hulp van één van de trackers Kotto. Zijn leeftijd is onbekend en reguliere scholing heeft hij nooit genoten. De Ba’aka’s leren niet uit boeken zij leren van elkaar en van de natuur. Hij heeft een ontoombare energie en een positieve houding. Tevens bezit hij een aanstekelijke glimlach én voeten waarvoor iedereen meteen respect krijgt bij een eerste aanblik. Het tiental tenen is immers niet meer compleet; duidelijk gebruikersporen van al die hardgewerkte kilometers in het bos. Tijdens het verzamelen van de monsters helpt hij geduldig en ondanks dat we ons vanwege de taal vaak niet goed kunnen uitdrukken, vormen wij een team. Zonder GPS of kompas gaan wij op pad naar een holle boom waar een grote groep vleermuizen huis zou houden. Op mijn Crocs probeer ik geruisloos door te stappen en de wendbare, kleine Kotto bij te houden, die met een snelle tred zich een weg door het woud baant. Na enkele meters baal ik al dat mijn moeder mij te lang aan de borst heeft gehad. Één-meter-zessenzeventig aan lijf is immers onhandig en onnodig in het regenwoudse bestaan. Kotto heeft een klein mes bij zich waarmee hij in rap tempo allerlei uitstekende en prikkende takken snijdt om voor mijn lange ik de weg vrij te maken. Misschien is het zo dat anderen onze sporen daardoor kunnen volgen mochten we niet meer terug keren naar het kamp. Onderweg sneuvelt zijn slipper en Kotto probeert tevergeefs provisorisch de bandjes te knopen, maar stapt met hetzelfde moordend tempo door op zijn blote voeten zonder enig beklag. En dat, terwijl hier tussen de vele bladeren en takken, op de grond een waar circus aan exotische prikkers galoppeert. "Un petit courier" wordt voorgesteld, wanneer ik voor mij op de grond dikke zwarte strepen zie. We maken een aanloopje en sprinten over de volksverhuizingen van deze mierenfamilies heen, zonder massaal gebeten te worden. Zo nu en dan stopt Kotto abrupt, kijkt links en rechts, naar de boomtoppen en richt zijn blik op de grond voor mogelijke sporen. Het verschijnen van een boze bosolifant waardoor wij even stoppen. Gelukkig is het vals alarm en kunnen wij onze weg vervolgen. De dagen daarop vormen een repeterende reeks van onderzoekswerk in het kamp en de route naar la maison des chauves-souris, de holle boom. Tot de magische ochtend komt waarin ik voor het eerst mee ga met twee trackers om de gorilla's te observeren. De Makumba-groep vernoemd naar haar imposante leider. Één van de trackers spot het zorgvuldig geweven slaapnest van de groep. Prachtig om te zien hoe mooi en secuur de bladeren een aantrekkelijk onderkomen voor de slapende mensaap vormt. Niet veel later duikt de eerste vrouwelijke gorilla van de groep op en even later ontmoeten we de hele familie. De jongen spelen hun versie van de wipwap en lanceren elkaar om beurten op buigende takken. Op de grond, in de nabijheid van zijn groepsgenoten, zit silverback Makumba, rustig op een takje te kauwen en, zo het lijkt, tevreden het spel van zijn nakomelingen te aanschouwen. Op één van de avonden in het kamp voelt het leven die dag wat minder licht dan gewoonlijk en schrijf ik de volgende woorden op papier: „Lastig het leven lastig te noemen, terwijl het hier zo ongelooflijk mooi is en weinigen dit ooit zullen zien“. Gelukkig bestaat er zoiets als veerkracht en reflectie. Beiden zorgen voor hernieuwde energie op de dag die volgt. Op die laatste zaterdag rijdt een Landcruiser het terrein op en verstoort een kamp in ruste. Normaliter komt hier enkel een auto op maandag en donderdag om het eten voor de trackers aan te vullen. Uit de terreinwagen stapt Frédéric, mijn dierenartscollega, met een brede glimlach. Onmiddelijk voel ik blijdschap. Ongeveer hetzelfde euforische gevoel dat ik had toen er, een avond eerder, vers brood werd gebakken in een geimproviseerde oven en mij een warm stuk brood werd aangereikt. Op een uur lopen van het kamp blijkt er een karkas van een olifant gevonden te zijn door de rangers. Samen pakken we snel alles wat nodig is voor de lijkschouwing en het bemonsteren van deze olifant(!) in en vertrekken met twee trackers richting de omschreven plek. Zonder GPS leiden zij mij ook ditmaal , door moerassen en berg op en berg af, feilloos door het regenwoud. Dat het een slachtoffer is van stropers blijkt duidelijk bij het zien van de olifant. De kop is van de romp gescheiden en de slagtanden ontbreken. Droevige werkelijkheid. Van de rangers verneem ik dat het aantal stropersincidenten met olifanten drastisch is verminderd in de afgelopen paar jaar in Dzanga-Sangha. Een positieve trend in een trieste context. Aan allen die het overwegen, wees je avontuurlijke zelf en ga op ontdekking hier in Dzanga-Sangha of thuis. Ga wandelen in de natuur en beleef. Mocht je van het avontuurlijke type zijn en een vliegticket naar Bayanga kopen: de schoonheid van de natuur hier en haar inwoners zal niet teleurstellen. Voorlopig is Dzanga-Sangha spijtig genoeg gesloten voor toeristen. Zodra Corona een andere planeet als doelwit heeft uitgekozen, wees welkom.
5 Comments
|